Ieder jaar weer rond deze tijd, wanneer de Verzamelloonstaat bij de Belastingdienst ingediend moet worden, rijst dezelfde vraag; “wat nu precies een artikel 45 kaart geval is?” De vraag, of voor de partij, die voor u arbeid heeft verricht, salarisadministratie gevoerd dient te worden of dat er sprake is van een artikel 45 geval, is afhankelijk van verschillende factoren..

 

Vaak wordt door opdrachtgevers verondersteld dat er met een opdrachtnemer geen sprake is van een dienstbetrekking, bijvoorbeeld omdat deze niet fulltime werkt of omdat de werkzaamheden geen regelmatig karakter hebben. Op bladzijde 11 van de Handleiding Loonbelasting staat het volgende:

Let op! Van dienstbetrekking is niet alleen sprake bij werknemers die in vaste dienst zijn, maar ook bij losse hulpkrachten, zoals noodhulpen, vakantiewerkers, zaterdaghulpen, lossers, parttime serveerster en bartenders en dergelijke. De duur van de overeenkomst is niet van belang. Dit kan een week maar ook een halve dag of zelfs een paar uur zijn.

Op grond van artikel 45 ALL moet een administratieplichtige jaarlijks tegelijk met de verzamelloonstaat een opgave (artikel 45 kaart) aan de Belastingdienst verstrekken van betaalde bedragen aan personen en ondernemingen die gedurende het afgelopen jaar, anders dan in dienstbetrekking, werkzaamheden en/of diensten voor u hebben verricht.

Bij de vraag of de vergoeding voor een partij via de salarisadministratie verloond dient te worden of dat alleen volstaan kan worden met een eenmalige opgave via een artikel 45 kaart, speelt de vraag of er sprake is van een dienstbetrekking dus een cruciale rol.

Kenmerkend voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is vooral de aanwezigheid van een latente gezagsverhouding. Hierdoor heeft de opdrachtgever (inhoudingsplichtige) het recht om opdrachten en aanwijzingen te geven en moet de opdrachtnemer (werknemer) zich hieraan houden. Het is niet van belang of de werkgever dit ook daadwerkelijk doet, maar de latente aanwezigheid van dit recht volstaat voor het aanwezig achten van een gezagsverhouding en dus ook een dienstbetrekking. En indien er sprake is van een dienstbetrekking, dan dient de vergoeding die de werknemer ontvangt voor de werkzaamheden, verloond te worden via de salarisadministratie en loonbelasting en sociale premies over de vergoeding berekend en afgedragen te worden.

Overeenkomsten tussen opdrachtgever en opdrachtnemer waarin beide verklaren dat er geen sprake is van een dienstverband en/of dat de opdrachtnemer zelf zorg dient te dragen voor betaling van loonbelasting en sociale premies, zijn ‘fiscaal transparant’ en zullen in de meeste gevallen wettig ongeldig beoordeeld en verklaard kunnen worden. Ten eerste telt in dit soort gevallen namelijk de werkelijke situatie (het wel of niet bestaan van een werkgever-/werknemerrelatie en gezagsverhouding) en ten tweede is in de Wet op de Loonbelasting bepaald dat de werkgever ‘inhoudingsplichtige’ is voor de loonbelasting en sociale premies. Aangezien de werkgever inhoudingsplichtige is, zal een naheffing van loonbelasting en premies in nagenoeg alle gevallen voor rekening van de werkgever komen, ongeacht wat hierover is overeengekomen tussen werkgever en werknemer.

Gelet op het bovenstaande is het aan te bevelen per geval goed te beoordelen of er sprake is van een gezagsverhouding en dienstbetrekking om op basis van die conclusie vast te stellen of de vergoeding aan betreffende persoon via de payroll wel of niet verloond dient te worden.